DROOMSPEL
UTRECHTSTE KUNST UIT DE
COLLECTIE JAN GULMANS
Catrien Schreuder, conservator Moderne Kunst
van het Centraal Museum, zal op zondag 19 april
om 17 uur 2026 de tentoonstelling inleiden
expositie:
22 april t/m 19 juni 2026

Opvallend ‘kunstloos’, zo omschreef een kunstrecensent begin jaren ‘30 van de vorige eeuw (naar aanleiding van een tentoonstelling van Utrechtse jonge kunstenaars) de ‘stad van de Winkel van Sinkel en de Inktpot’. Deze mening leek later, in de winter van 1939/1940 te worden bevestigd in het Rijksmuseum. Hier waren slechts circa 15 Utrechtse beeldende kunstenaars vertegenwoordigd, d.w.z. op een expositie van enkele honderden leden van diverse kunstenaarsverenigingen. Een presentatie waarbinnen overigens de traditionele genres van landschap, portret en stilleven hoogtij vierden. Terwijl de typisch Utrechtse wereld van de verbeelding, die op een brede vertegenwoordiging in de Domstad kon rekenen, nagenoeg ontbrak.

Joop Moesman werkt voor zichzelf (in een lade van zijn bureau) bij de Nederlandse Spoorwegen.
In de economisch moeilijke jaren voor de Tweede Wereldoorlog probeerden in de Domstad veel kunstenaars een andere bron van inkomsten te vinden om in hun levensonderhoud te voorzien. Zo werkte Joop Moesman decennialang bij de Spoorwegen. Een bijkomend voordeel was wel, dat deze surrealist zonder concessies als kunstenaar kon werken; enigszins beschermd tegen de weerstand die zijn surrealistische kunst opriep.
Het maken van kunst in de vrije tijd leidde ertoe dat deze kunstenaars dikwijls als amateurs werden beschouwd. Zodoende werd de kunstproductie in het verborgene gerealiseerd en dat bleef ook zo. Er verschenen weinig publicaties over hen en tentoonstellingen bleven, zeker elders in het land, meestal uit.
Een Utrechter die zijn stem wel liet horen -weliswaar veel eerder- was Erich Wichman. Deze kunstenaar, excentriekeling en anti-parlementaire dwarsligger waarschuwde niet alleen voor het gevaar van melk drinken (het witte gevaar), maar hij hield in 1914 ook een pleidooi voor de moderne kunst. Hij is zelf vooral bekend om de groteske (‘kwab-achtige’) maskers die hij in allerlei formaten uitvoerde.

Erich Wichmann, omstreeks 1925.
Een tijdgenoot van hem, eveneens een voorvechter van de abstracte kunstbeweging in Nederland, was Janus de Winter. Hij gaf een kleurrijke paradijsvogel in een desolaat maanlandschap weer, overigens zonder ooit in het oerwoud of op de maan te zijn geweest. De verbeelding was voldoende voor hem. Ook zou De Winter een boottocht over de Amazone gemaakt hebben, in een kano die was voorzien van een bodemplaat van glas, zodat de kunstenaar het onderwaterleven kon observeren en vastleggen. Deze reis was eveneens fictie.

Pyke Koch, omstreeks 1968.
Ook Pyke Koch bezat veel verbeeldingskracht, zeker aan het begin van zijn lange carrière. Hij schilderde in 1928 ‘Suicide et Souvenir’, een collage-achtige compositie waarin een groot aantal verschillende elementen zijn samengevoegd. Rechtsboven wordt de Domtoren gelanceerd op een reis naar de maan zoals op een bordje op de toren staat aangegeven. Karakteristieke buurten, straten en objecten in zijn stad spelen in het werk van Koch een belangrijke rol, van het urinoir in een steegje bij de Begijnenstraat tot de uitdragerijen aan de Springweg.
De eeuwige mopperpot ‘Jopie’ Moesman had net als Wichmann een haat-liefde verhouding tot zijn geboortestad. Hij zou er lang blijven wonen en ontwikkelde een eigen magisch-realisme. Hij maakte kennis met deze nieuwe stijl in de galerie van de surrealist Willem Wagenaar. Er lag een Frans tijdschrift vol foto’s van surrealistische kunstwerken.
Eind jaren ’60 ‘ontvluchtte’ Moesman de ‘drukte van Utrecht’ . In Tull en ’t Waal liet hij een huis bouwen waar hij met zijn jonge gezin een ‘groen leven’ begon. In 1964 nam hij met het schilderij ‘Adieu’ voortijdig afscheid van Utrecht. De stad is door water overspoeld. Alleen een naakte vrouw met een vreemde ‘duikbril’ is nog te zien, evenals een groen monster, dat een doorzichtig, rondborstig model in zijn hand houdt. En ook een stuk van de Domtoren steekt nog boven het water uit.

Willem van Leusden in 1967. Foto L.H. Hofland
Een andere surrealist was Willem van Leusden, geboren in Utrecht, maar als twintiger verhuisde hij naar Maarssen. Hij verwerkte in 1932 een fragment van de Domtoren in het schilderij ‘Sint Sebastiaan’. De compositie hiervan was gebaseerd op een ets en droge naald uit 1909.
Van Leusden verplaatste de bestaande architectuur naar de woestijn. In diens ‘droomkunst’ was de wereld nooit hetzelfde, het was een wanhopige schreeuw tegen de kleinburgerlijkheid van Utrecht, waar de kunstenaar -alweer- weinig ontplooiingskansen werd geboden.

Portret van William D. Kuik, 1963
Na de Tweede Wereldoorlog nam in Utrecht het maken van grafiek een hoge vlucht. De initiatiefnemers van Grafisch Gezelschap De Luis (1960-1980) waren William D. (later Dirkje) Kuik, Joop Moesman en Henc van Maarseveen.
Later kwamen daar de minstens zo getalenteerde grafici Peter Vos, Charles Donker en Gerard van Rooy bij. Zij wilden als een ‘luis in de pels’ van de hedendaagse kunst opereren en zetten zich af tegen de geldende hiërarchie in de beeldende kunst. Als pleitbezorgers van de verschillende grafische technieken weigerden zij nog langer het primaat van -in het bijzonder- de schilderkunst te accepteren. Het wegdromen uit de alledaagse realiteit treft men nadrukkelijk in hun prenten aan. Een exponent was de virtuoos Peter Vos, die in zijn fantasierijke tekeningen en prenten de mens voorziet van vogelmotieven.

De etser Gerard van Rooy
Na de Tweede Wereldoorlog speelde beeldhouwkunst een steeds grotere rol in het Nederlandse kunstlandschap. In Utrecht deden jonge beeldhouwers als Pieter d’Hondt, Joop Hekman, Paulus Reinhard, Willy Blees en Theo van de Vathorst van zich spreken. De gemeente Utrecht, het lokale bedrijfsleven en particulieren voorzagen deze kunstenaars van veel opdrachten.
Landelijke pers haalde het initiatief waarmee de Utrechtse gemeenteraad in 1979 instemde. Er moesten aan de westzijde van de 750 meter lange Maliebaan tussen de bomen bronzen beelden komen te staan. Het idee voor deze permanente beeldenroute, genaamd ‘Beelden aan de Maliebaan’, was afkomstig van beeldenverzamelaar en Robeco-directeur (en later stichter van Museum Beelden aan Zee) Theo Scholten, toen lid van de Utrechtse Gemeentelijke Adviescommissie voor Beeldende Kunsten.
Scholten stelde voor om beelden van uitsluitend vrouwelijke kunstenaars te plaatsen, want volgens hem telde ons land opvallend veel goede beeldhouwsters. De Maliebaan moest in de toekomst een doorlopend eerbetoon brengen aan het vrouwelijk element in de Nederlandse beeldhouwkunst. De eerste beelden werden in 1982 geplaatst, met letterlijk op de eerste plaats (gezien vanaf de binnenstad) ‘Zittende figuur’ van Willy Blees, waarvan op de expositie een studie is te zien. Uiteindelijk zouden 17 ‘droombeelden’ de statige Maliebaan sieren.

De beeldhouwster Willy Blees naast de gipsen versie van
‘Zittende figuur’ (beeld Maliebaan), 1982
Een eervolle opdracht die niet onvermeld mag blijven, is die voor de middeleeuwse Domkerk. In de jaren ’90 werd Theo van de Vathorst benaderd om monumentale bronzen deuren te ontwerpen, een kunstwerk waarin werken van barmhartigheid, en in het bijzonder die van de patroonheilige van de kerk tevens van de stad, Sint Maarten, centraal zouden staan. Van de Vathorst kon met de ruim omschreven opdracht veel kanten op. Bekend als hij was met de Bijbel en voorzien van een ongebreidelde verbeeldingskracht had hij genoeg stof voor de vele taferelen aan de binnenkant van de deuren. De binnenkant is overdag te zien, als de deuren open staan.

Theo van de Vathorst voor zijn bronzen deuren van de Utrechtse Dom. Foto Piet Gispen.
Als de deuren gesloten zijn, ziet de voorbijganger voorstellingen in reliëf van dieren en mensen, en een veelheid aan teksten in allerlei talen.
De droom vormt een belangrijk thema in het oeuvre van de Boellaardprijs- en Prix de Rome-winnaar Paul Klemann. Hij legt zijn dromen, die hij als inspiratiebron gebruikt, direct na het wakker worden, in notities vast. Klemann tekent met potlood in een surrealistische stijl. Het zijn verhalende, dikwijls absurdistische tekeningen. Op de expositie hangt een werk waarop is te zien hoe de Domtoren -op fantasievolle wijze- weer wordt verbonden met de kerk.

Paul Klemann
Inmiddels heeft de ingeslapen, ‘kunstloze’ provinciestad, allang plaatsgemaakt voor een stad met een keur aan kunstactiviteiten, bevolkt door allerlei kunstenaars. Een stad waarin het rijk der fantasie nog altijd onmiskenbaar aanwezig is. Iedere beoefenaar speelt het droomspel op eigen wijze, net als vroeger, en volgens door haar of hem zelf vastgelegde regels.
Dick Adelaar
| Met schilderijen, tekeningen, grafiek, beelden en keramiek van o.a.: | |
|
Chris Achterberg |
Wout Maters |
Bekijk de uitnodiging bij deze expositie